Verhalen

Rijksarchief Leeuwarden

Nedergerecht Vlieland(Fr)

Inv.nr.2 fol.173Vt/m182V

RA 5046/3 en 4

Vergadering gehouden bij Bailluw

en alle Scheepenen

op den raadshuijse te Vlieland den

15de van Hooijmaand 1809

Den Bailluw geeft te kennen aan de Vergadering hoe bij hem zig had geadresseerd Magdalena de Ruijter huijsvrouwe van Gool Claas Visser, te kennen gevende hebbende, hoe haar een stuk lood van hun waterbak was ontvreemd, waar van zij een stukje had ontdekt ten huijse van Cornelis Cornelis Snor,alwaar het zelve was verkogt door de zoon van Cornelis Volkerts Koudenburg,versoekende bij Bailluw gemelde Zoon met naame Jacob Volkerts Koudenburg op Interrogatorien te hooren Scheepenen Accordeeren het versoek.


Pro Justitie

Interrogatorien gedaan maaken en De Heeren Scheepenen van Vlieland overgegeven door ofte van wegen den Heer Ab: W.M.Reinbach, Bailluw aldaar omdaar op te hooren den persoon van Jacob Cornelisz Koudenburg. Compareerde voor ons Scheepenen van Vlieland, den persoon van Jacob Cornelis Koudenburg dewelke geantwoord heeft als nevens in de Art:staat uijtgedrukt.

Art.1
Hoe is uw Naam Jacob Corn.Koudenburg
Art.2
Hoe oud Zijt gij 12 Jaar
Art.3
Waar Zijt gij gebooren op Vlieland
Art.4
waar zijt gij woonagtig op Vlieland
Art.5
wat is uw kostwinning winkelierster
Art.6
hebt gij gepasseerde donderdag lood van de zoon van Cornelis Volkerts Koudenburg gekogt de dag weet ik niet,tusschen Dingsdag en Vrijdag heb ik gekogt
Art.7
hoeveel pond lood is er geweest het eerste dat ik gekogt heb was 5 lt en het laatste 17 lt op verscheijdene dagen
Art.8
hoeveel geld hebt gij daar voor gegeven voor het pond 12 duijten
Art.9
hebt gij niet opgemerkt wat soort van lood het was,en waar toe het van te vooren,gediend had. Neen,daar heb ik geen acht opgegeven
Art.10
wist gij niet toen gij het lood kogt dat dergelijk lood was gestoolen Neen
Art.11
hebt gij het vervolgens niet gehoord Ja
Art.12
hoeveel tijd dan wel,na dat gij het gekogt had Ik meen gepasseerde Vrijdag
Art.13
waarom hebt gij dan het niet ter kennisse van den regter gebragt omdat ik niet wist dat,dat het vermiste lood was,maar vermeende van zijn eigen waterbak te weesen.
Art.14
waarom hebt gij bij de afvraging ontkent,dat gij het vermiste lood gekogt had dat bij uw aan huijs door den Gerechte gevonden is. Ik heb het ontkend omdat hij mijn broeders kind was
Art.15
het lood dat voor den Gerechte in uw huijs is gevonden,en aan uw alhier in Juditio werd vertoond, is dat dat Selfde lood dat door Jacob Cornelis Koudenburg bij uw is verkogt. Ja
Art.16
kunt gij ook het een of ander tot opheldering deeser Zaak bij brengen Neen

Aldus gevraagd en geantwoord als bij ieder Art.Staat uijtgedrukt,in praesentie van Scheepenen,en na Voorleesinge bij persisteerende ten blijke getekend. Op den raadhuijse te Vlieland den 15de van Hooijm:1809 (was get.) Maaijke Pieters mij preasent A.Blom,secretaris


Pro Justitio

Interrogatorien gedaan maaken en Compareerde in Juditio voor ons Schee- aan de Heeren Scheepenen van Vlieland penen van Vlieland den persoon van Jaapje overgegeven door ofte van wegens den Heer Jacobs, dewelke geantwoord heeft als M.W.Reinbach, Bailluw aldaar, om daar op bij ieder Art:staat uijtgedrukt. te hooren den persoon van Jaapje Jacobs

Art.1
Hoe is uw Naam Jaapje Jacobs,huijsvrouwe van Cornelis Volkerts Koudenburg
Art.2
Hoe oud zijt gij 38 Jaaren
Art.3
waar zijt gij gebooren op Vlieland
Art.4
waar zijt gij woonagtig op Vlieland
Art.5
wat is uw kostwinning Niets
Art.6
Heeft uw zoon Jacob over korte dagen geen lood verkogt. Neen,zo verre ik weet niet.
Art.7
Hebt gij van de week geen lood in uw huijs gezien Ja ik heb een loode pijp door mijne kinderen uijt Armoede laten verkoopen.
Art.8
Door wien van uw kinderen door Neeltje
Art.9
hoe lang is dat geleeden het is deese week geschied,maar de regte dag kan ik mij niet herinneren
Art.10
hebt gij in deese week ook geld van uw man ontvangen Neen,geen Duijt

Aldus gevraagd en geantwoord als bij ieder Art:Staat uijtgedrukt in preasentie Van Scheepenen en na voorleesinge daar bij persisteerende,ten blijke getekend. Op den raadhuijse te Vlieland den 15de van Hooijm.1809 (was get) Jaapje Jacobs Mij preasent A:Blom,secretaris

Den Bailluw zoo uijt de verhooren van gemelde Jacob Volkerts Koudenburg als andere omstandigheden vermeenende vermente Suspicie op den persoon van Cornelis Volkerts Koudenburg te hebben,versoekt Scheepenen appretientie op den persoon daar de zelve zig reeds zoek had gemaakt en van het Eijland begeven,zoude hij met een jol gegaan,naar een schip leggende op de rheede,en gereed om te vertrekken,om quasi als loods zijnde dat zelve schip naar zee te brengen,schoon het zijn beurt niet was en een ander loods toekwam,en weetende dat hij op die danige wijse zoude ontvlugten. Scheepenen Accordeeren in aanmerking der genoemde Reedenen appretiensie. In kennisse van mij

A.Blom,secretaris


Vergadering gehouden bij Bailluw en Scheepenen. Op den raadhuijse te Vlieland den 17de van Hooijm:1809 Den Bailluw brengt ter kennisse van de vergadering dat de persoon van Cornelis Volkerts Koudenburg eergisteren avonds geapprehendeert en versoekt om de selve op Artikelen te hooren. Scheepenen Accordeeren het Versoek Mij praesent A.Blom,secretaris

Pro Justitio

Compareerde in Juditio voor ons Scheepenen van Vlieland Magdalena de Ruijter,huijsvrouw van Gool Claas Visser woonagtig alhier,welke bij absentie van haaren genoemde man,onder solemneele Eide verklaarde en deposeerde waar ende waaragtig te weesen,dat zij comparante op gepasseerde woensdag zijnde den 12de van Hooijm:hadde ontwaard,dat de loode vergaarbak vastgespijkerd aan haar huijs was weggenomen,na welke zij zo veel mogelijk tot opspeuring had aangewend,en daar van een klein stukje gevonden ten huijse van Cornelis Cornelisz Snor,waarop zij dan ook behoorlijke kennis aan den Bailluw deses Eijlands had gegeven,en dat het lood aan haar in Juditio vertoond,het zelfde was,dat haar was ontstoolen. Waar meede zij Comparante dan deese haare verklaaring eindigde gevende voor redenen van wetenschap als in de Text,verklaarende dit de opregte en zuijvere waarheijd te weesen,zeggende zij daarop,zo waarlijk helpe mij God almagtig. In kennisse der waarheijd hebbe wij Scheepenen de Comparante deese doen tekenen Op den raadhuijse te Vlieland den 17de van Hooijm.1809 (was get)Magdalena de Ruijter In kennisse van mij A.Blom,secretaris


Pro Justitio

Interrogatorien gedaan maaken en de Heeren Scheepenen van Vlieland overgegeven door ofte van wegens den Heeren Mr.W.M.Reinbach Bailluw aldaar,omdaar op te hooren den persoon van Cornelis Volkerts Koudenburg,thans gevangene.

Compareerde voor ons Scheepenen van Vlieland den persoon van Cornelis Volkerts Koudenburg dewelke geantwoord heeft,als nevens ieder Art. staat uijtgedrukt.

Art.1
Hoe is uw naam Cornelis Volkerts Koudenburg
Art.2
Hoe oud zijt gij 39 jaar
Art.3
waar zijt gij gebooren op Vlieland
Art.4
waar zijt gij woonagtig en wat is uw kostwinning op Vlieland,als lootsman
Art.5
Hebt gij door een uwer kinderen lood laten verkoopen,over korte dagen. Ja
Art.6
door wien door mijn zoon Jacob
Art.7
hoe veel pond dat kan ik niet zeggen
Art.8
wat geld daar voor ontvangen dertien d'halve Stuijver daar omtrent dat weet ik zo net niet
Art.9
bij wien is het verkogt dat weet ik niet of het bij mijn broeder Tjeert verkogt is,dat kan ik niet zeggen.
Art.10
van waar had gij dat lood Dat heb ik gevonden agter de muur van Engeltje Elderts gepasseerde woensdag morgen om vijf en een half uur.
Art.11
hebt gij het geld daar voor ontvangen van uw zoon Ja
Art.12
hebt gij het Geld aan uw vrouw overgegeven Ja
Art.13
wanneer het lood aan uw vertoond werd, zoud gij het dan kennen Ja
Art.14
Het lood dat in Juditio vertoond werd, is dat het Selfde dat gij door uw zoon Jacob hebt laten verkoopen. in Art.10 hebt u geantwoord dat u het lood dat gij gevonden hebt,door uw zoon Jacob hebt laten verkoopen. Ja
Art.15
Weet gij dan niet dat gij verpligt zijt om van gevondene goederen kennis te geven,en dat zulks het uwe niet is. Ja,dat weet ik,maar door Armoede laten verkoopen.
Art.16
wist gij niet,toen gij het lood liet verkoopen dat diergelijk lood van het huijs van uw buurvrouw Magdalena de Ruijter werd gemist,en waarschijnlijk gestolen was. Neen,eerst niet,maar naderhand wel.
Art.17
Daar uijt de Verklaaringe door de getuigen gegeven,ten Duijdelijkste blijkt dat het lood dat gij aan uw zoon Jacob hebt gegeven om te verkoopen, juijst de selve vergaarbak is,die ten zelfde tijd van het huijs van uw buurvrouw Magdalena de Ruijter werd vermist,zo komt voor dat gij het zelfde niet zoude hebben gevonden,maar op eene andere wijse daar aangekomen te zijn,en dierhalven,word uw andermaal gevraagd,op welke wijse gij aan dat lood zijt gekomen. Ik heb het gevonden.
Art.18
Indien zulks dan waar is,moet gij dan niet bekennen,dat gij daar door op ein wederregtelijke wijse hebt meester gemaakt van eens anders goed,ten profijte van uw zelven en daar door Strafschuldig zijt. Zegt daar op niet te kunnen antwoorden,Zegt later Ja

Aldus gevraagd en de geantwoord als in de hoofde deses Staat Geschreeven in preasentie van Scheepenen voorn.en na voorleesinge Daar bij persisteerende,heb ik het zelfde ondertekend Op den raadhuijse te Vlieland den 17de van Hooijm.1809 (was get)Cornelis Volkerts Koudenburg In kennisse van mij A.Blom,secretaris


Pro Justitio

Interragatorien,gadaan maaken en aan Heeren Scheepenen van Vlieland overgegeven, door ofte van wegens, den Heer Mr.W.M.Reinbach Bailluw aldaar,om daar op te hooren Jaapje Jacobs,huijsvrouwe van Cornelis Volkerts koudenburg. Compareerde Juditio voor Ons Scheepenen van Vlieland den persoon van Jaapje Jacobs,dewelke geantwoord heeft als bij ieder Art. staat uijtgedrukt.

Art.1
Op den 15 deser of wel gepasseerde Saturdag,hebt gij geantwoord dat uw dogter Neeltje een loode pijp heeft laaten verkoopen,van waar had gij die loode pijp. uijt mijn waterbak
Art.2
weet gij ook,of uw man,door uw Zoontje Jacob lood heeft laten verkoopen. Neen,daar weet ik niets van.
Art.3
hoeveel lood heeft hij laten verkoopen daar weet ik niets van
Art.4
hoeveel geld daar voor ontvangen vervald
Art.5
bij wien is het verkogt vervald
Art.6
van waar had uw man dat lood vervald
Art.7
aan wien heeft uw zoon het geld voor het lood gegeven lood uijt mijn bak. Ik weet van geen geld,ik heb geen geld gezien,als van het meijsje dat ik heb laaten verkoopen van het lood uijt mijn bak.
Art.8
heeft uw man uw dan geen geld gegeven waar meede uw zoon Jacob in huijs kwam. Neen
Art.9
hoeveel geld bedroeg het vervald
Art.10
heeft uw man niet gezegd van waar dat geld was vervald
Art.11
wist gij zulks dan ook vervald
Art.12
hoe kwam hij daaraan vervald

Aldus gevraagd en geantwoord als bij ieder Art.staat uijtgedrukt in praetentie van Scheepenen,en na Voorleesinge daar bij persitteerende,ter blijke getekend In den raadhuijse te Vlieland den 17de van Hooijm.1809 (was get)Jaapje Jacob mij praesent A.Blom,secretaris


Vergadering gehouden bij Bailluw en Scheepenen in de Zaak van Cornelis Volk.Koudenburg. Op den raadhuijse te Vlieland den 18de van Hooijm.1809 Den Bailluw versoekt eenige persoonen op Interrogatorien te hooren. Scheepenen Accordeeren.

Pro Justitio

Interrogatorien gedaan maaken en aan Heeren Scheepenen van Vlieland overgegeven uijt naam ende van wegens den Heer Mr.W.M.Reinbach Bailluw aldaar,omdaar op te hooren Jacob Cornelisz Koudenburg. Compareerde voor ons Scheepenen van Vlieland den persoon van Jacob Cornelis Koudenburg,dewelke geantwoord heeft als bij ieder Art.staat uijtgedrukt.

Art.1
Gij hebt gezegd ,dat gij gepasseerde donderdag 18 lt lood bij uw moeij Maaijke Pieters hebt verkogt,hebt gij dat in een of twee keer verkogt. In een keer
Art.2
hebt gij dan ook kort te vooren,of daar na,lood verkogt Een dag tevooren heb ik 5 lt verkogt in de Scheemeravond
Art.3
Van wien had gij dat lood dan van mijn vader
Art.4
hoe veel pond was er Vast een half pond
Art.5
hoe veel geld er voor ontvangen voor het pond 12 duijten
Art.6
Aan wien het geld gegeven Aan mijn vader
Art.7
Hoeveel geld hebt gij daar voor ontvangen vervald in het geheel
Art.8
Hebt gij al dat geld aan uw vader gegeven. Ja
Art.9
Was er ook iemand bij toen gij het geld aan uw vader gaf. Neen,ik heb het mijn vader op de plaats gegeven,daar was niemand bij
Art.10
Gij hebt gezeijd,dat gij dat stukje lood,dat gij bij Cornelis Snor verkogt hebt,van uw vader hebt gekreegen is zulks wel waarheijd. Neen,ik heb het stil uijt het zakje van mijn vader genomen.
Art.11
hoe kwam gij daaraan vervald
Art.12
waar hebt gij het geld gelaaten van dat stukje lood daar heb ik raape en wortelen voor gekogt.
Art.13
weet gij ook nog het eene of andere tot inligting te zeggen. neen

Adus gevraagd en geantwoord als bij ieder Art,staat uijtgedrukt in prasentie van Scheepenen,en na voorleesing daar bij persisteerende ten blijke geteekend. Op den raadhuijse te Vlieland den 18de van Hooijmaand 1809 (was get) Jacob Cornelis Koudenburg mij praesent A.Blom,secretaris


Pro Justitio

Interrogatorien gedaan maaken aan de Heeren Scheepenen van Vlieland overgegeven uijt den naam ende van wegens den Heer Mr.W.M. Reinbach Bailluw aldaar om daar op te hooren Jaapje Jacobs,huijsvrouw van Cornelis Volkerts Koudenburg Compareerde in Justitio voor Ons Scheepenen van Vlieland, den persoonvan Jaapje Jacobs, dewelke geantwoord heeft,als bij ieder Art.Staat uijtgedrukt.

Art.1
Gij hebt geantwoord,geen geld van uw man in de gepasseerde week ontvangen te hebben,is dat waarheijd doordien uw man zegt geld aan uw te hebben gegeven. Neen,hij heeft mij geen geld gegeven.
Art.2
hoe veel geld heeft hij uw gegeven. Een dertiend'half een dubbeltje en eenige duijten,ik heb het bij mij gestoken.
Art.3
heeft hij uw meer als in eene keer geld gegeven. Ja,Tweemaal heb ik geld van hem ontvangen,de laatste keer als in Art.2 en de eerste keer 6 Stuijvers tot een Schelling
Art.4
weet gij ook waar dat geld vandaan kwam hij heeft mij gezeijd,dat het van een stukje lood was dat hij gevonden had.
Art.5
hebt gij het lood in huijs gezien Neen
Art.6
waar had hij het lood gevonden. In heb van hem verstaan,zo ik meene op de lands bolle agter om
Art.7
weet gij ook wanneer hij het lood gevonden heeft Neen,dat weet ik niet,ik meen dat het woensdag of donderdag geweest is
Art.8
waarom hebt gij den regter met onwaarheijd opgehouden Ik durfde de waarheijd niet segge, om mijne eijgene verschooning

Aldus gevraagd en geantwoord als in den hoofde deses gemeld,en bij ieder Art.staat uijtgedrukt,in praesentie van Scheepenen,en na voorleesinge daarbij persisteerende,ten blijke getekend. Op den raadhuijse te Vlieland den 18de van hooijmaand 1809 (was get:)Jaapje Jacobs mij praesent A.Blom,secretaris


Pro Justitio

Interrogatorien gedaan maaken aan de Compareerde Juditio voor ons Scheepenen Heeren Scheepenen van Vlieland van Vlieland,den persoon van Corn. overgegeven door ofte van wegen Volkerts Koudenburg,de welke geantwoord Den Heer Mr.W.M.Reinbach Bailluw heeft,als bij ieder Art:Staat uijtgedrukt. aldaar,om daar op te hooren den persoon van Corne.Volk.Koudenburg,tans gevangenen.

Art.1
Hebt gij niet het lood dat gij smorgens aan uw zoon Jacob hebt gegeven,hem bevolen om het savonds aan Tjeerd Volkertsz te verkoopen Ja
Art.2
waarom Juijst bij uw Broeder Tjeerd Volkerts en niet bij een ander Omdat wij altijd ons goed wat wij hebben daar verkoopen.
Art.3
waarom Juijst s avonds. Omdat ik gevonden had en ik wilde het voor een ander niet weeten
Art.4
Weet gij niet hoeveel geld uw zoon voor ieder pond heeft ontvangen 10 of 12 duijten daar omtrent
Art.5
hoeveel pond is er geweest dat kan ik niet regt zeggen
Art.6
wist uw vrouw dan ook waarvan het geld kwam. Neen,maar naderhand heb ik haar gezeid dat het van het lood was,dat ik had gevonden.
Art.7
weet gij niet hoeveel geld uw zoon uw gebragt heeft,hebt gij dat niet nagezien. Ja,een enkelde dertiend'half en een dubbeltje en eenige duijten
Art.8
hebt gij ook meer lood door uw zoon Jacob laaten verkoopen Ja
Art.9
wanneer woensdag de eerste keer,en donderdag de tweede keer.
Art.10
de eerste maal heb ik ontvangen een sestehalf en een dubbeltje en de tweede maal als in Art.7. hoeveel
Art.11
van waar had gij dat lood,namelijk de 5 lt dat was van het Selfde lood,dat ik gevonden had.
Art.12
Gij hebt gezeijd dat gij het Geld voor het verkogte lood aan uw vrouw gegeven hebt, en uw vrouw zegt geen duijt van uw ontvangen te hebben,hoe kan dat gepaard gaan. zij heeft het geld van mij ontvangen

Aldus gevraagd en geantwoord,als in den Hoofde deses Staat gemeld en presentie voorn. En na voorleezinge daarbij persisteerende,ten blijke getekend. Op den raadhuijse te Vlieland den 18de van Hooijmaand 1809 (was get)Cornelis Volkerts Koudenburg (was get) mij praesent A.Blom,secretaries


Vergadering gehouden bij Bailluw en Scheepenen in de Zaak van Cornelis Volkerts Koudenburg op de raadhuijse te Vlieland den 21ste van Hooijmaand 1809. Den Bailluw versoekt den gevangene op Interrogatien te hooren.

Pro Justitio

Interrogatorien gedaan maaken en aan den Gerechte van Vlieland overgegeven uijt den naam en de van wegens den Heer en Mr.W.M.Reinbach Bailluw aldaar omme daarop te hooren den persoon van Corn.V.Koudenburg, thans gevangene. Compareerde voor ons Schepenen van Vlieland den persoon van Cornelis Volkertss Koudenburg, dewelke geantwoord heeft,als bij ieder Art. staat uijtgedrukt.

Art.1
Is door een van uw kinderen meer lood verkogt als door Jacob in de gepasseerde week. Ja
Art.2
door wien door Neeltje
Art.3
waar is dat verkogt dat kan ik niet zeggen
Art.4
van waar was dat lood uijt mijn huijs
Art.5
hoe veel pond dat kan ik niet zeggen
Art.6
hoe veel geld er voor ontvangen dat kan ik ook niet zeggen
Art.7
Is dat niet op donderdag van 13 deser geweest,dat dat lood verkogt is,immers volgens zeggen van uw zoon Jacob en de opkoopster Cornelisje Jacobs dat kan ik voor vast niet zeggen
Art.8
Gij hebt gezeijd in Art.15 van uw eerste verhoor dat gij het lood,het welk gij voorgeeft gevonden te hebben,wel wist het uwe niet te zijn,maar uijt armoede hebt laaten verkoopen:en op dien selfde dag heeft uw dogter Neeltje volgens haar eijgen zeggen bij Cornelisje Jacobs een loode pijp verkogt,dus behoefde gij het niet uijt armoede niet gedaan te hebben,en is dit voorgeven dan derhalven van uw niet onwaar. Zegt van de verkooping niet te weeten.
Art.9
hebt gij woensdag den 12 deser op de landsbolle geweest Neen,daar heb ik mijn beenen niet gehad
Art.10
hoe konde gij dan tegen uw vrouw zeggen, het op de landsbolle te hebben gevonden om wat reden hebt gij dat gedaan zegt niet te weeten,dat gezegt te hebben
Art.11
het lood dat gij voorgeeft gevonden heeft te hebben,was dat niet aan een stuk het hing aan stukken,en had het ratzoen van een watersbak goot
Art.12
hebt gij dan het eerst niet aan stukken gesneeden,eer gij het hebt laten verkoopen. Ja,ik heb het stukken gesneeden
Art.13
waarom om het onkenbaar te maaken
Art.14
hebt gij dan niets aan het selve gedaan eer gij het selve hebt weggezonden om te verkoopen ja
Art.15
waarzo hebt gij het aan stukken gesneeden in mijn huijs
Art.16
wien was daar bij mijn Zoon Jacob
Art.17
op wat uur van den morgen zijt gij met het lood in huijs gekoomen Circa half ses des morgens
Art.18
wien zag gij toen het eerst in uw huijs met het lood mijn Zoon Jacob
Art.19
hebt gij toen dadelijk niet aan uw huijsvrouw dit voorval verhaald Neen,zegt nader voor of na de middag
Art.20
Wat tijd op den dag was het dat gij aan uw zoon Jacob gelaste,het lood bij Tjeerd Volkerts of eigelijk bij zijn huijsvrouw Maaijke Pieters kort nadat ik in huijs ben gekoomen heb ik het stukke gesneeden en aan mijn zoon Jacob order gegeven om het te verkoopen.
Art.21
In Art.12 van uw laatste verhoor hebt gij gezeijd dat gij en uw vrouw altijd uw goederen bij Tjeerd Volkerts verkogt,waarom is dan die loode pijp door uw dogter Neeltje bij Cornelis Snor verkogt Ik heb het niet laten verkoopen maar mijn Vrouw
Art.22
Zijt gij smorgens nadat gij eerst aan uw zoon Jacob order had gegeven het lood te verkoopen, weder uijtgegaan. Neen,anders niet als op de straat of agter de wal,of te aalsteken.
Art.23
Wanneer weder naar huijs gekomen. Dat kan ik niet zeggen,maar heb te huijs gegeten.
Art.24
Aaan wien hebt gij het lood geduurende den tijd,dat gij uijt uw huijs geweest zijt in bewaaring gegeven. Aan geen mensch,het heeft op mijn zolder geleijd.

Aldus gevraagd en geantwoord als bij ieder Art. Staat uijtgedrukt In praesentie van Scheepenen en na voorleesinge daar bij persitteerende ten blijke Geteekend. Op den raadhuijse te Vlieland den 21ste van Hooijmaand 1809 (was get) Cornelis Volkerts Koudenburg Mij praesent A.Blom,secretaris


Pro Justitio

Interrogatorien gedaan maaken en Compareerde voor Ons Scheepenen aan de Heeren Scheepenen van van Vlieland den persoon van Jacob Corn. Vlieland overgegeven uijt den naam Koudenburg,welke geantwoord heeft ende van wegens den Heer Mr.W.M. bij ieder Art.staat uijtgedrukt Reinbach,Bailluw aldaar,omme daar op te Hooren Jacob Corn.Koudenburg.

Art.1
Hebt gij niet gezien dat uw vader met het lood in huijs is gekomen. Neen
Art.2
Zeide uw vader niet waar het lood vandaan was Neen,of hij het gevonden had,of ergens anders
Art.3
weet gij dan niets nader te zeggen, omtrent het lood. Neen
Art.4
waar hebt gij uw vader woensdag het eerst gezien wij zijn gelijk uijt het bed gestaan
Art.5
hoe laat smorgens half ses uuren
Art.6
waar zijt gij smorgens toen heen gegaan met mijn vader agter de wal,en vervolgens met hem na huijs gegaan,wanneer mijn vader door mij met zijn botwand agter de boede is uijtgelaten en westwaards over is gegaan, om te visschen.
Art.7
wanneer is uw vader toen weer in huijs gekomen. Een uur daar na,of daar omtrent
Art.8
Doe uw vader toen terug kwam,heeft hij uw toen niet van het lood gezeijd Neen,Schemeravond heeft hij mij gezeijd om het lood te verkoopen,en de andere middag heeft hij mij het.
Art.9
Toen gij gelijk smorgens zijt opgestaan, had uw vader toen al buijten huijs geweest Neen,dat weet ik wel,dat hij voor mij niet is uijtgeweest, als even om te wateren.

Aldus gevraagd en geantwoord als bij ieder Art.Staat uijtgedrukt en na voorleesinge daar bij persisteerende ter blijke getekend. Op den raadhuijse te Vlieland den 21ste van Hooijmaand 1809 (was get).Jacob Cornelis Koudenburg (was get)mij praesent A.Blom,secretaris

 Terug naar de verhalenlijst